canto ostinato

de eerste toon wordt al gezet
voor de gordijnen opengaan
heel langzaam komt er leven in beweging in
geluid
 
de kraam, de santenkraam, het hele circus 
breidt zich uit, borduurt
maar door en alsmaar door op thema’s
die zich gaandeweg weer kruisen, keer op keer

weer kruisen met geloof en
liefde ook wellicht
met hoop

hierna te noemen u

heden verscheen mij een schrijven
van haar
zij, hierna te noemen u

 

aanvankelijk schreef u dat
het u een lieve lust was wanneer het blad niet onbeschreven
blijven zou, opdat het zich kleurt
 
zich hecht wellicht, schreef u dat er schijn was en iets heimelijk
hunkerde naast uiterlijkheden, die er minder toe deden in elke zin

maakte u mij geschreven beelden, mijzelf schiep ik gezichten
daarbij, het mijne soms dat van u onaantastbaar nabij, als het ware
las ik dat het goed was het anders te zien zo ik las, ploos
uw woord menigmaal uit een vorm van nieuwsgierigheid

zal ik u blijven volgen

   

canto ostinato - simeon ten holt

*voor driever*
       
   

aan de dijk

daar sta ik dan als schaftkeet in tomatenrood
als romaatje
heb ik het maar te vreten. geen uitzicht
op het zuiden wel hang
naar drank, gitaar. zigeunerbloed
huist achter mijn gesloten luiken

ik zou graag onder sinti zijn
als kleinste tussen woonwagens
de horizon over de dijk vervoeren

gedreven door de aarde
in de groeven van m’n banden
in de cadans van het draaiend wiel wil ik de wereld
de csárdás en de sirba voelen

keet

er zijn lichaamsdelen van het arme schaap gevonden
langs de dijk achter mij. een enkel spoor
wijst erop dat ze is misbruikt
mijn god, hoe iemand daartoe komen kan

er hangen borsten aan mijn deur
in kleur op ware grootte, alhoewel 
ze lijken mij niet echt. gelijk
de pin-up zelf, niet onvervalst
een jong meisje is, maar zo geschoren
of het een kind betreft

omwille van de man die
tijdens koffiepauze en de schaft
de vuile schoft, die pedofiel
weleens even zal verbouwen

       
       
   

dieptegesprek tussen twee heren

hij staat wat verlegen onhandig gestoken in pak
naast een heer van formaat, is zelf ook verbaasd
als zijn stem de oneindige stilte doorbreekt. zonder reden
struikelt een zin schuchter over zijn tong

meneer, klinkt het zacht
ik zag een gat, een gat in de verte
zwart en diep, weet u wel
hoe zwart, hoe diep, hoe ver

de heer fronst en drukt zijn snor, hautain
gooit hij de bal snel terug als verweer
met de tekst; dat vraagt u mij

u vraagt mij naar dat gat in de verte,
het zwart van de diepte.
nou ja, ongeveer, pak ‘em beet, antwoordt hij

me dunkt, u vraagt mij naar dat gat, naar de diepte
nou kijk
is het niet dat, wat u denkt dat u ziet
ziet u, diepte is allerminst ver
ik ben de diepte, dunkt mij
grenzeloos dichtbij, begrijpt u

ik ben en ik weet van de diepte

de touwslagerij

het schip bereids klaar voor vertrek wacht, een zeeman
legt nog aan met een blondje
want de nacht droomt niet van een dag. op de lijnbaan
ligt het zeel al opgerold, net te drogen naast wat fuiken
een zuipschuit onderuit tussen vissenkop en kater

als kurk, z’n strot en toot, z’n dorst
viel niet te lessen in de kroeg, alwaar hij teut de toog afbrak
de aftocht blies met een stuk
en of wat handen in z’n kraag -opgelazerd- de bierkaai vond

ook de slager wist ‘em flink te raken en nog
slaat weer een oorlam achterover aan de bar. Albers klinkt, althans
de speakers dragen zacht zijn wel beschonken stem, als afdronk
van een leven. in de Hanzestad

bruist Sankt Pauli sowieso
binst dat de trossen los gaan, überhaupt laten zeelieden zich in armen
sluiten van losbandig zwart of rood
doch verkiezen bij het krieken losgeslagen open water

    Herenleed; Armando en Cherry Duyns

Hans Albers: "auf de reeperbahn nachts um halb eins"

   

 

 
   

de paardenslager en het meisje

hij neemt het heft, het hoeft van hem niet zonodig
ebbenzwart te zijn, wanneer het stevig in de hand
de heftig dikke vingers ligt

hij geeft een hengst, een klap, slaat met z’n hiep een homp
van de reeds hoofdeloze romp. niks bot, hij hakt. waanzinnig
hoe vlijmend staal zich zet
in zeen. hij heeft z’n mes
wat aangezet, ontleedt het kreng
fileert het ongevoelig vlees en snijdt het
loodrecht op de draad, tegen dood of sterven in
 
hortsik

menig meisje met een staart draagt een pony in haar hart
een beugeltje als bit, haar kommer
kan hem daadwerkelijk niet deren

onomwonden legt hij bloot wat obsceen verscholen gaat
onder edel zitvlees van zo velen

leng

haar pie de poule, kousen, schoenen,
liggen nog als een spoor op de overloop
droeg hij haar in z’n armen, doch slechts de helft
van z’n tweedelig; de broek. tevens een schort
vanwege het gerecht dat hij had voorbereid 

de vis was ontdaan
van schub, van darm. had de kop nog behouden
maar wat moest ie ermee als ie toch niet kon zwemmen

die avond hing hij z’n visgraat rond haar schouders
sneed haar een moot af. reeg haar
een snoer van bloedkoraal. zij strekte de hals
sloot de ogen bij al wat ze zag
kreeg ze water in de mond
naast het bad liep zij over

     

 

       
   

trek

hij liep sloffend naar z’n nest
liet zich ploffen op de veren
met een zucht of het z’n laatste was

boven z’n hoofd
cirkelde een stil gebed
het ongehoorde amen vloog
hem vloekend naar de keel
hij zag grauw, was op

gegeven:
-naast hem lag een gebroken knaapje
met een smoking uit de tijd
dat die nog paste bij het leven
niet naar kamfer rook -

bij gezond verstand had hij
zich willen laten stikken
was inmiddels van de kaart
ongewenst bezoek -ene maarten-
stond te wachten op de gang
de deur reeds op een kier

 

“Spin”

schuchter trekt hij voort in grauwe jas
met zich het kind
het is niet anders dan het is

de bloedband klevend aan de levenslijn
vanwaar quasi-relaxed spinsels in de bovenkamer
gespannen worden vanwege
zoals daar zijn
de liefste moeder

een snol uit de kroeg
die haar lichaam legt waar vader gaat voor drank
en del tot hij komt
vreemd genoeg schijnt dat hij het anders ervaart
dan het is en zo niet
dan wel vader

in z’n dagboek onleesbare krabbels bewaart hij
beseft al dan niet het kruis op z’n rug is het kind
dat vangt wat hem lief is
in zichzelf verstrikt raakt
geen vlieg


   

 

*inspiratie: de film Spider van David Cronenberg
   

 

 
   

geen vinger

ik leg m’n been over de andere heen
strijk m’n rokje glad en sla m’n ogen neer

nu ik hem zo ontwijk, zie ik meer
overeenkomst dan verschil, tussen ons
gezegd ben ik gelijk aan hem
of denk ik nu te simpel

denk ik nu, als hij
eens even met zijn vingers langs mijn benen
waardoor mijn rok weer hoger kruipt
en mijn knieën weer gescheiden
van elkaar

maar, hij doet niets, dus
ik leg mijn hand zacht op de zijne
geef een zoen op z’n wang en zeg hem
dat hij mijn broertje lijkt

4711

ik ruik weer even aan mijn moeder
de gebloemde jurken die ze droeg, de enige boeketten
gekregen van mijn vader

blijf hangen in die geur
steken, bij de foto van duizendschoon in mondgeblazen glas
waar zij haar lippen had gelaten
achterop

ik blader, weet nog hoe ze was
hoe of het was
het bloemenwater

       
     

 

   

verloren zoon

ver van m’n bed heb ik vannacht een droom verdronken
ergens in een kreek, waar de heer zich waste aan de bron
de zondvloed zich te buiten ging aan vis die zich verscholen hield

op weg terug, waar kruimels niet de mijne waren, me verdroomd
tussen sodom en gomorra in een steegje achteraf met een maagd
die mij lager zou doen zingen in een kerk vol gezang

ik zweeg, nam het schaap in mijn armen naar de oever
hield haar onder tot de maan de bleke leden sloot
en ik mijzelf waakzaam vond, stervende van dorst

meren rannalla

waar land het water had gebroken in ongelijke meren
neergelegd voor gans en gans en gans
de schapenwolkreflectie op diepte zeewier graasde,
had hij in stilte zijn waterland gedragen
zijn tranen laten drogen in oostenwind uren geluisterd
naar de zilte golven, tot hem een Finse tango klonk

   

 

meren rannalla - matti salminen

     

   

niemandsland

met de vorstgrens
in gedachten, haal ik m’n neus nogal eens op
veeg restanten aan m’n want

er is geen land in zicht geen hond
die zit te wachten op gejank
de vaste grond wordt alsmaar dunner

nu de eenden water kwaken, blijf ik
nog even, zo het kan
laat ik me langs de schotsen schuiven
onder smeltend zelfkant

in vredesnaam

ik voel me frank en vrij. als de zon
of de zijne verreist
hangt m’n kruis al een tijd aan de wilg
die, zo wolken verschuiven
met z’n tenen de hemel aanwijst

zo vrij als de vijg die z’n blad zonder schaamte
laat vallen, geef ik mij bloot op papier. in woord
en in daad scheur ik alle psalmen aan flarden
voer ze de duiven

     

 

     

 

   

maja

ze ruikt naar tosca en toscane
nee shit, naar costa rica
ze drinkt rioja in bordeaux of cava
langs de rijn, de donder in de lucht
roept verdejo

wanneer de stad in ruste is
en zij op een terras
de kurk van alweer een fles
bij terracotta potten rolt
hangt het bouquet
rond de dode hoek
naast maanlicht
plengt er spijt 
in haar glas
zit een bodem
een slompje nog

ze neuriet zacht
de laatste slok
klinkend
op chavela

maja

ella huele a tosca y toscana
no mierda, a costa rica
bebe rioja en burdeos o cava
a lo largo del rin, el trueno del aire
pide verdejo

cuando se retira de la ciudad
y ella está en una terraza
el corcho de una nueva botella
rueda cerca de macetas de terracota
cuelga el buqué
alrededor del ángulo muerto
luz de la luna al lado
vierte arrepentimiento  
en su vaso
está un culito
un sorbito solo

tararea en voz baja
el último trago
brindando
por chavela

*voor Chavela Vargas*
el último trago - chavela vargas
*para Chavela Vargas*
el último trago - chavela vargas
     

 

   

heimwee naar morgen

terwijl de laatste avond zwoel zijn eerste adem gaf
krekels ons bespeelden met hun spel 
was het tijd die ons zichzelf niet gunde
vals een vrolijk deuntje floot
versneld verdampte tot minuten van vaarwel

dit mag geen afscheid zijn las ik in humide ogen
zag daar al een teken van de opkomende zon
kan ik de hunkering wel dragen, het besef
dat nevel van verlangen bossen groener kleurt

morgen, morgen kom ik terug om te sterven in haar schoot
tot ik gedij in eeuwig dagen rond de bergen van Mañón

afscheid van morgen

vandaag zag hij de zee voor het eerst
als iets, waarin je kan verdrinken
hij was nogal ontdaan
want zulke plannen had hij niet
                
hij kreeg een visioen of zo
van een bootje met z’n lief aan boord
dat als een vuiltje aan de horizon verdween

en toen het weer verscheen
steeg de spiegel van ontroering
in de nog helder blauwe ogen
danste het bootje met z’n lief
langs z’n netvlies van verlangen
waar het door redeloze angst
in zoete tranen ging 

       
   

 

 

   

nadorst of de vroegmis

het zwerk mengt zich met rosé. in morgenrood
heult mijn gevoel met twijfel
droog is mijn verhemelte
‘k lig in een godvergeten goot, te diep
gekeken

ruik de kegel van de aangeschoten kater
die ik vervloek. als bloedverwant van blauwe knoop
zit hij mij aan de broek.
ik strijk m’n kraag glad, wilde haren staan mij beter

het is nog vroeg, de haan heeft al gekraaid
het orgel klinkt op God
alleen, betrouw ik in mijn noden

toe, reik mij thans de kelk aan
gelengd met extra water, mijn dorst is groot
en miswijn toch al wit
ofschoon vandaag
lijkt alles roze

bottleneck

haar hals rekt zich uit
naar mijn nog twijfelende hand
terwijl haar buik spreekt

even nippen, een slok of
meer, dan zwalkend leven
als knop verwelken in de kelk
wil je dat

rozen verscherven
en vruchten dragen
bottel jezelf

onder de tafel
waar je schaterlachend
voor me valt, als een roemer
struikelend over eigen voet    

       
       
   

verzadiging

de tafel was destijds te mooi gedekt voor wat zoal werd opgediend
zodoende bijt ik tegenwoordig gaten in het laken
trek langzaam witter weg

ik proef het maal op maal, van kindsbeen af
was amen alles wat ik zei en nog kan ik niet anders
want het zij zo dat, het was eenmaal
 
of eigenlijk wel vaker, in de geest van
je hebt het maar te vreten
met altijd bidden voor en danken na

nog, prevelt er iets in m’n hoofd en volgzaam denk ik, amen
maar krijg m’n handen niet gevouwen
laat staan dat ik m’n ogen sluit

occultatie

duisternis bekruipt mij met een kille zucht
uit door zang verlaten kelen
geen vogel slaat z’n vleugels uit
er hangt iets in de lucht, men zegt dat
het een wolk is, de maan of god
mag weten wat

wat houdt zichzelf tegen
licht, onthult zich voor wie blind is
beloken voor het oog van mensen zoals ik

schoon somber het gezicht dat ik zo slecht ontwaar
zo pijnlijk mooi de stilte, wanneer de geest zich overgeeft
daar god zichzelf verhangen heeft

   

 

 

   

 

 

   

croceferarius

hij wist wat er te wachten stond
na de vroegmis was het meestal raak
het kruis moest naar de crypte, z’n knietjes knikte
onder het superplie

hij voelde de hand al tijdens de eucharistie
bij het maken van het kruisje, over z’n rug
en kippenvel naar beneden gaan
het schietgebedje schoot tekort
                             
hij trof de hufter in de refter
demonen huisden in diens ogen, trokken rond
de geile trekken van z’n mond
niet de priester, maar de duivel in kazuifel

drukte zich stijf tegen hem aan
streek z’n zwavel langs fluweel
leegde de beker met de zegen nog klevend aan z’n lijf
liep hij gebogen, het kruis voor ogen, naar huis

panis arsenicum

panis angelicus
legt tongen ‘t zwijgen op
dat panisch verdringen moet
angst in silentium

o zang van regulus
verstomt. verzwijg het, hoe
verpaupering leidt tot hommeles

thee van trifolium
zuivert de zielen niet
een hostie gedrenkt in bloed
ligt als een dode mus

in de palm van het argeloos
kind dat hem de ogen toe
zong. hoe manisch zijn duisternis is